Wet DBA, verder uitstel en ietsje meer controle!

Vanaf 01 mei 2016 geldt de Wet DBA (in plaats van de VAR). Nog voordat de wet in werking zou treden, was er al flinke maatschappelijke onrust. Opdrachtgevers en opdrachtnemers vonden de regels te onduidelijk en dus de risico's dat de feiten anders dan bedoeld zouden worden uitgelegd te groot. De handhaving, dus het werkelijk toepassen van de wet, werd uitgesteld tot juli 2018. Handhaving zou zich enkel richten op de ernstige gevallen, denk aan fraude of zwendel.

Inmiddels zijn we in 2018!

We weten nog steeds niet met welke regels de Wet DBA vervangen zal worden. In het regeerakkoord was al aangekondigd dat verder uitstel zou volgen. Inmiddels heeft de Minister van Sociale Zaken het uitstel van handhaving verlengd tot 01 januari 2020.
WEL geeft deze minister aan dat de Belastingdienst vanaf 01 juli 2018 in meer gevallen kan ingrijpen dan voor 01 juli 2018!! Er wordt echter niet speciaal op dit punt gecontroleerd.

De Belastingdienst mag na 01 juli 2018 ingrijpen indien er aan alle drie de eisen is voldaan (naast elkaar)::

1. Er is sprake van een (fictieve) dienstbetrekking (volgens de belastingdienst). Dit is logisch: zonder dienstbetrekking is er geen enkele reden om op grond van de Wet DBA te corrigeren.

2. Er is sprake van evidente schijnzelfstandigheid. "Wat denkt een buitenstander als hij deze feiten hoort" is dit wel/niet schijnzelfstandigheid. Denk bijvoorbeeld aan iemand die fulltime als zelfstandige voor een opdrachtgever aan de slag is, ook al gedurende meerdere jaren, met name in de situatie dat deze zelfstandige eigenlijk liever werknemer zou worden, maar niet in de positie is om dit af te dwingen.

3. Er is sprake van opzettelijke schijnzelfstandigheid. M.a.w.: partijen moeten zich bewust zijn geweest van het feit dat er mogelijk sprake is van schijnzelfstandigheid. 

De handhaving van de Wet DBA is uitgesteld tot 01 januari 2020. Alleen in gevallen van duidelijke en opzettelijke schijnzelfstandigheid mag de Belastingdienst ingrijpen. Daarbij moet de Belastingdienst dan wel bewijzen dat hiervan sprake is.